Botanische kenmerken
Geschreven door A.J. Laros   

De wetenschappelijke geslachtsnaam van de kamperfoelie is Lonicera. 
Linnaeus noemde het geslacht Lonicera en daarmee eerde hij de Duitse geneesheer en plantkundige Johann Lonitzer (1499-1569). 
Het geslacht Lonicera behoort tot de familie der Caprifoliaceae, de kamperfoelieachtigen.

De naam kamperfoelie is een verbastering van het Latijnse "Caprifolium" (Kaperfolie) en dat betekent gewoon blaadje voor de geit. Geiten zijn dol op kamperfoelie blad.
Men is het er nog niet over eens hoeveel kamperfoelies de aarde nu bevolken, maar het zijn er waarschijnlijk meer dan tweehonderd. Ze komen alleen op het noordelijk halfrond voor, en de meesten in Oostelijk en Midden Azië. Alleen Lonicera periclymenum is in ons land inheems, en moeten anderen in het wild voorkomende soorten als verwilderd worden beschouwd. Deze Lonicera is een slingerplant, maar we kennen ook een groot aantal struik kamperfoelie's.

Botanische kenmerken

Lonicera's hebben al dan niet behaarde, tegenoverstaande bladeren, die kort gesteeld, zittend of schotelvormig vergroeit zijn (perfoliaat). Twijgen vaak hol, bloemen okselstandig, twee bijeen, of in zittende schijnkransen met twee grote schutbladen en vier kleine voorblaadjes; de schutbladen vaak bladachtig. De planten zijn eenhuizig, man en vrouw wonen in hetzelfde huis (op dezelfde plant). De bloemen zijn steeds tweeslachtig met vijf meeldraden en één stamper.
Ze zijn vijflobbig en regelmatig, of min of meer tweelippig. In het laatst genoemde heeft de bovenlip vier lobben, en de onderlip één.
De bloem is trechter, trompet en of pijpvormig en op de bodem bevinden zich de nectariën. De bloemen geuren door aanwezigheid van nectar meer of minder, en zijn roomwit, lichtgeel, geel, oranje, rood, scharlakenrood of purperkleurig. Vaak is de bloem in knop purperroze en verbloeien de roomwitte bloemen geel. 
De vruchtbeginsels groeien daarna uit tot vlezige bessen met drie tot acht zaden, en zijn (zelden) wit, oranje, rood of (blauw)zwart.